Psalm 49

Geen audio beschikbaar
Psalm 49

Afspeelinstellingen

Tempo:

Iso-ritmisch:

Informatie over deze psalm

Auteur(s):

Laus Deo
Salus Populo
D. Sanderman
Psalm 49
Psalm 49

1Gij, volken, hoort; waar g' in de wereld woont,
't Zij laag van staat, of hoog, met eer bekroond,
't Zij rijk of arm, komt, luistert naar dit woord.
Mijn mond brengt niets dan lout're wijsheid voort,
Bij mij in 't hart opmerkzaam overdacht.
Ik neig het oor, daar 'k op Gods inspraak wacht,
Naar 's Heeren spreuk, en zal u, op de snaren
Der blijde harp, geheimen openbaren.

2Wat zou mij toch doen vrezen in een tijd,
Waarin het kwaad, het onrecht mij bestrijdt,
Als ik omringd, benauwd ben door 't geweld;
Dat in mijn val zijn hoogst genoegen stelt?
Wat hem betreft, die op zijn schat betrouwt,
En al zijn roem op groten rijkdom bouwt,
Zijn schat behoudt zijn broeder niet in 't leven;
Hij kan daarvoor aan God geen losgeld geven.

3Hij kan dien prijs der ziele, dat rantsoen,
Aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen;
Hij wenst vergeefs hier altoos 't licht te zien,
En door zijn schat, het naar bederf t' ontvlien.
Hij ziet elk uur der wijzen levensend;
Der dwazen dood blijft hem niet onbekend;
Hij ziet, dat hun in 't sterven niets kan baten,
Maar dat zij 't al aan andren overlaten.

4Al zegt zijn hart: "Mijn huis zal eeuwig staan,
Van kind tot kind gedurig overgaan";
Al heeft hij 't land, waarop zijn trotsheid roemt,
Zijn grootsheid bouwt, naar zijnen naam genoemd.
't Is alles wind, waar zich zijn hart mee streelt:
De mens, hoe mild door 't aards geluk bedeeld,
Hoe hoog in eer, in macht en staat verheven;
Vergaat als 't vee, en derft in 't eind het leven.

5Hoewel zijn weg niets is dan ijdelbeid,
En hij zichzelf door dwazen hoogmoed vleit,
Stapt echter 't kroost, dat in der oudren woord
Behagen schept, op 't zelfde doolpad voort.
De dood maait ook dier kindren leven af;
Zij volgen hen, als schapen, naar het graf;
En in den dag, den groten dag des Heeren,
Zal over hen d' oprechte triomferen!

6Men denkt niet meer aan hun verleden staat,
Wijl al hun glans met hen in 't graf vergaat;
Maar na den dood is 't leven mij bereid:
God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.
Vreest hem dan niet, die grote schatten heeft;
Wiens machtig huis in eer en aanzien leeft.
Want hij zal niets in 't sterven met zich dragen;
Zijn naam, zijn roem, 't ligt al terneer geslagen.

7Schoon hij zich op deez' aard' in wellust baadt,
En ieder roemt zijn weeld' en overdaad,
Hij daalt nochtans, gelijk zijn gans geslacht,
Vervreemd van God, in 's afgronds donkren nacht.
Gij dan, o mens, hoe waard, hoe groot in eer,
Zo gij den wil versmaadt van uwen Heer',
Dan gaat gij, als de beesten, haast verloren;
Een wis verderf is u ten lot beschoren.