Psalm 111

Geen audio beschikbaar
Psalm 111

Afspeelinstellingen

Tempo:

Iso-ritmisch:

Informatie over deze psalm

Auteur(s):

J.E. Voet
D. Sanderman
Psalm 111
Psalm 111

1Looft, Hallelujah, looft den Heer';
Mijn ganse hart verheft Zijn eer.
Ik zal Zijn Naam en grootheid prijzen;
'k Zal, met d' oprechten onderling,
Vereend, in hun vergadering
En raad, Hem plechtig eer bewijzen.

2Des Heeren werken zijn zeer groot;
Wie ooit daarin zijn lust genoot,
Doorzoekt die ijvrig en bestendig;
Zijn doen is enkel majesteit,
Aanbiddelijke heerlijkheid,
En Zijn gerechtigheid onendig.

3Hij maakte, Hij, die heerlijk is,
Zijn wondren een gedachtenis;
Hij is barmhartig en genadig;
Hij gaf hun, die Hem vrezen, spijs;
En Zijnen groten Naam ten prijs,
Gedenkt Hij Zijns verbonds gestadig.

4Hij heeft de kracht Zijns werks getoond
Aan 't volk, waarbij Hij gunstrijk woont.
Hij gaf, ten hunnen nutt' en voordeel,
Hun d' erve van het heidendom.
Des Heeren werken zijn alom
En altoos waarheid, recht en oordeel.

5't Is trouw, al wat Hij ooit beval;
Het staat op recht en waarheid pal,
Als op onwrikbre steunpilaren.
Hij is het, die verlossing zond
Aan al Zijn volk; Hij zal 't verbond
Met hen in eeuwigheid bewaren.

6Zijn Naam is heilig en geducht;
De vijand beeft op Zijn gerucht!
Maar 's Heeren vrees zal altoos wezen
't Begin der wijsheid: wien Gods hand
Die doet betrachten, heeft verstand.
Zijn Naam blijft eeuwiglijk geprezen.