Psalm 39

Geen audio beschikbaar
Psalm 39

Afspeelinstellingen

Tempo:

Iso-ritmisch:

Informatie over deze psalm

Auteur(s):

J.E. Voet
D. Sanderman
Psalm 39
Psalm 39

1Ik zei: "Nu zal ik letten op mijn paan,
Om met mijn tong niet t' overtreen.
Ik zal geen woord uit mijnen mond doen gaan,
Maar breidlen dien in tegenheen;
Terwijl hij, die mij booslijk tegenstreeft,
Nog daaglijks mij voor ogen zweeft."

2Ik was verstomd, ik sprak van 't goede niet;
Maar dit verzwaarde mijne smart.
Mijn geest werd heet in 't binnenst' door verdriet;
Een vuur ontstak mijn peinzend hart,
Dat, ondanks mijn besluiten, in mijn leed,
Mijn tong op 't laatst dus spreken deed:

3"O Heer', ontdek mijn levenseind aan mij,
Mijn dagen zijn bij U geteld.
Ai, leer mij hoe vergankelijk ik zij;
Een handbreed is mijn tijd gesteld,
Ja, die is niets; want, schoon de mens zich vleit,
De sterkst, is enkel ijdelheid."

4Gaat niet de mens, als in een beeld, daarheen,
Gelijk een schaduw, die verdwijnt?
Men woelt vergeefs; men brengt met zorg bijeen,
Al wat op aard' begeerlijk schijnt;
En niemand is verzekerd, wie eens al
Die goedren naar zich nemen zal."

5Nu dan, o Heer', wat is 't, dat ik verwacht?
Mijn hope staat op U alleen.
Verlos mij, door Uw onweerstaanbre kracht,
Van al mijn ongerechtigheen,
En stel mij niet, getrouwe Toeverlaat,
Den dwazen stervling tot een smaad.

6Ik ben verstomd, en zal mijn mond voortaan
Niet opendoen; wijl Gij het deedt.
Neem Uwe plaag van mij, houd op met slaan,
En maak een einde aan mijn leed!
Mijn kracht bezwijkt, omdat mij Uwe hand
Zo fel bestrijdt van allen kant.

7Wanneer Uw straf op enen stervling stort,
Omdat hij Uwe wet vergeet,
Verdwijnt zijn glans, zijn kracht vergaat in 't kort,
Gelijk de schoonheid van een kleed,
Waarover zich alom de mot verspreidt:
Gewis, de mens is ijdelheid.

8Hoor mijn gebed, mijn bang geroep, o Heer',
Daar 'k schreiend U mijn leed vertoon;
Ik, die bij U als vreemdeling verkeer,
En hier, gelijk mijn vaders woon,
Ai, wend Uw hand en plagen van mij af;
Verkwik mij, eer ik daal in 't graf.