Statenvertaling

Psalmen 129

Psalmen

In Psalm 129 kijkt Israël terug op alle vijandelijke onderdrukkingen. Israël bidt tot God of Hij de vijanden wil straffen. De haat van de vijanden tegen Israël is haat tegen God Zelf.

Door vele verdrukkingen

129 1 EEN 1 lied Hammaäloth.
2Zij hebben mij dikwijls benauwd 3van mijn jeugd af, zegge nu 4Israël;

2 Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.

3 5Ploegers 6hebben op mijn rug geploegd, zij hebben hun 7voren lang getogen.

4 De HEERE, Die rechtvaardig is, 8heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.

5 9Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen die 10Sion haten.

6 aLaat hen worden als 11gras op de 12daken, hetwelk verdort 13eer men het uittrekt;

7 14Waarmede de maaier zijn 15hand niet vult, noch de garvenbinder zijn 16arm;

8 En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij 17bij u; 18wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.