Nahum

Een beschrijving van de natuur Gods, Die tegen Zijn en Zijns volks vijanden sterk en straf is, vs. 2. Maar goedertieren jegens de vromen en die Hem liefhebben, 7, enz. De profeet dreigt verder den Ninevieten hun ondergang, 8. Hij troost de vrome Joden, hun voorzeggende dat hun vijand, de koning van Assyrië, zou verslagen worden, 15.

Gods majesteit tegen Ninevé

1 1 DE 1 last 2van Ninevé. Het 3boek des gezichts van Nahum, 4den Elkosiet.

2 Een 5aijverig God en 6een Wreker is de HEERE, een Wreker is de HEERE en 7zeer grimmig; een Wreker is de HEERE aan Zijn wederpartijders, en 8Hij behoudt den toorn aan 9Zijn vijanden.

3 De HEERE is 10lankmoedig, doch van grote kracht, en 11Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig; 12des HEEREN weg is in wervelwind en in storm, en 13de wolken zijn het stof Zijner voeten.

4 Hij 14scheldt de zee en 15maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; 16Basan en Karmel kwelen, ook 17kweelt 18de bloem van Libanon.

5 bDe bergen 19beven voor Hem en de heuvelen 20versmelten; en de aarde 21licht zich op voor Zijn aangezicht; en de wereld, en allen die daarin wonen.

6 Wie 22zal voor Zijn gramschap staan, en wie 22zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.

7 De HEERE is 23goed, cHij is ter sterkte in den dag der benauwdheid, en 24Hij kent hen 25die op Hem betrouwen.

8 En 26met een doorgaanden vloed zal 27Hij 28haar plaats tenietmaken, en 29duisternis zal 30Zijn vijanden vervolgen.

9 31Wat denkt 32gijlieden 33tegen den HEERE? 34Hij zal 35Zelf een voleinding maken; de benauwdheid 36zal niet tweemaal oprijzen.

10 Dewijl 37zij in elkander gevlochten zijn als doornen, 38en dronken zijn gelijk zij plegen dronken te zijn, 39zo worden zij volkomenlijk verteerd als een dorre stoppel.

11 40Van u 41is een uitgegaan 42die kwaad denkt tegen den HEERE, 43een Belialsraadsman.

12 44Alzo zegt de HEERE: Zijn zij 45voorspoedig en alzo velen, alzo zullen zij ook 46geschoren worden, en 47hij zal doorgaan; Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal u niet meer drukken;

13 48Maar nu zal Ik 49zijn juk 50van u breken, en zal 51uw banden 52verscheuren.

14 53Doch tegen 54u heeft de HEERE 55bevolen, 56dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden; uit het huis uws gods zal Ik uitroeien 57de gesneden en gegoten beelden; Ik zal u 58daar een graf maken, 59als gij zult veracht zijn geworden.

15 dZie 60op de bergen de voeten 61desgenen die het goede boodschapt, die 62vrede doet horen. 63Vier uw vierdagen, o Juda, betaal uw geloften; want 64de Belialsman zal voortaan niet meer 65door u doorgaan, 66hij is gans uitgeroeid.