Statenvertaling

Micha 6

Micha

De HEERE spant een rechtszaak aan tegen Zijn volk. Hij heeft alleen maar goede dingen gedaan voor Israël. Het volk pleegt echter onrecht en wil de HEERE alleen maar uiterlijk dienen. Daarom zal de HEERE komen met het oordeel.

De twist des HEEREN

6 1 HOORT nu wat de HEERE zegt: Maak u op, twist 1met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen.

2 Hoort, gij bergen, den twist des HEEREN, mitsgaders gij 2sterke fundamenten der aarde; want de aHEERE heeft een 3twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in rechte begeven.

3 O Mijn volk, 4wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u 5vermoeid? Betuig tegen Mij.

4 Immers heb Ik u uit bEgypteland opgevoerd, en u uit het 6diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht heen 7gezonden Mozes, Aäron en 8Mirjam.

5 Mijn volk, gedenk toch wat cBalak, de koning van Moab, 9beraadslaagde, en wat hem Bíleam, de zoon van Beor, antwoordde, en wat geschied is van d10Sittim af tot e11Gilgal toe, opdat gij de 12gerechtigheden des HEEREN kent.

6 13Waarmede zal ik den HEERE 14tegenkomen, en mij bukken voor den 15hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandoffers, met 16eenjarige kalveren?

7 17Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tienduizenden van oliebeken? 18Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding? De vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?

8 19Hij heeft u 20bekendgemaakt, o mens, wat goed is; en wat feist de HEERE van u, dan 21recht te doen en weldadigheid lief te hebben, en 22ootmoediglijk te wandelen 23met uw God?

9 De 24stem des HEEREN roept tot de 25stad (want Uw 26Naam ziet 27het wezen): Hoort de 28roede en 29Wie ze besteld heeft.

10 30Zijn er niet nog, in eens ieders 31goddelozen huis, schatten der 32goddeloosheid, en een 33schaarse 34efa, die 35te verfoeien is?

11 36Zou Ik rein zijn met een 37goddeloze gweegschaal, en met een zak van bedrieglijke 38weegstenen?

12 Dewijl 39haar rijke lieden vol zijn van geweld, en 40haar inwoners leugen spreken, en hun tong h41bedrieglijk is in hun mond,

13 Zo zal Ik 42u ook krenken, u slaande en verwoestende om uw zonden.

14 Gij zult ieten, maar niet verzadigd worden, en uw 43nederdrukking zal in het 44midden van u zijn; en gij zult 45aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat gij zult 46wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.

15 Gij zult kzaaien, maar niet maaien; gij zult 47olijven 48treden, maar u met olie niet zalven; en 49most, maar geen wijn drinken.

16 Want de 50inzettingen van lOmri worden onderhouden, en het ganse werk van het huis van mAchab; en gij wandelt in 51derzelver raadslagen; 52opdat Ik u stelle tot verwoesting, en 53haar inwoners tot 54aanfluiting; alzo zult gij de 55smaadheid Mijns volks dragen.