Leviticus

Wetten aangaande de manier van het vrijwillig brandoffer in den tabernakel te slachten, vs. 1, enz. Hetwelk moest zijn óf van grootvee, als van runderen, 2. Of van kleinvee, als van schapen en geiten, 10. Of van vogels, als van tortelduiven en jonge duiven, 14.

Het brandoffer

1 1 EN de HEERE riep Mozes, en sprak tot hem uit 1de tent der samenkomst, zeggende:

2 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal 2offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en 3van schapen.

3 Indien zijn offerande een 4brandoffer van runderen is, zo zal hij een 5volkomen mannetje offeren; 6aaan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, 7naar zijn welgevallen, 8voor het aangezicht des HEEREN.

4 En hij zal 9zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat 10het voor hem aangenaam zij om 11hem te verzoenen.

5 Daarna zal 12hij het jonge rund 13slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren en dat bloed sprengen rondom dat altaar hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is.

6 Dan zal 14hij het brandoffer de huid aftrekken en het in zijn stukken delen.

7 En de zonen van Aäron, den priester, zullen 15vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.

8 Ook zullen de zonen van Aäron, de priesters, de stukken, het hoofd en 16het smeer schikken op het hout dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.

9 Doch zijn 17ingewand en zijn schenkels zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een 18vuuroffer 19tot een lieflijken reuk den HEERE.

10 En indien zijn offerande is van kleinvee, van schapen of van geiten ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren.

11 En 20hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar 21noordwaarts, 22voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.

12 Daarna zal hij het in zijn stukken delen, mitsgaders zijn hoofd en zijn smeer; en de priester zal die schikken op het hout dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.

13 Doch het ingewand en de schenkels zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer tot een lieflijken reuk den HEERE.

14 En indien zijn offerande voor den HEERE een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven of van 23jonge duiven offeren.

15 En de priester zal 24die tot het altaar brengen en deszelfs hoofd 25met zijn nagel splijten en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan den wand des altaars uitgeduwd worden.

16 En zijn krop met zijn 26vederen zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, 27oostwaarts, 28aan de plaats van de as.

17 Verder zal hij 29die 30met zijn vleugelen klieven, 31niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer tot een lieflijken reuk den HEERE.